AlterIAS logo
PDF Afdrukken

Introductiewegen

De mens speelt een belangrijke rol in de verspreiding van invasieve soorten. Planten kunnen vrijwillig of onvrijwillig worden geïntroduceerd. Er zijn verschillende introductiewegen: land-, bos-, en tuinbouw, bijenteelt,... De introductie van uitheemse sierplanten wordt als vrijwillig beschouwd. Dat is ook het geval voor soorten die doelbewust worden aangeplant in de bosbouw.

In Europa werd bijna 70 % van de exotische soorten vrijwillig geïntroduceerd.

In een aantal Europese landen (Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Tsjechische Republiek) werd eveneens aangetoond dat de meeste uitheemse soorten die worden geïntroduceerd, sierplanten zijn. De tuinbouw wordt dus beschouwd als één van de belangrijkste introductiewegen voor invasieve planten (zie invasieve planten en tuinbouw).

Vrijwillige versus toevallige introducties

prunus_serotina_wikimedia_web200

Vrijwillig : Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), van origine uit Noord-Amerika, werd in Europa voor het eerst verbouwd als bosboom in de buurt van Parijs in 1623. De boom werd massaal aangeplant om de bodem te verbeteren en om de productiviteit van bossen op arme en zandige gronden op te drijven. Er werden miljoenen stuks aangeplant over heel Europa. Amerikaanse vogelkers is nu uitgegroeid tot een agressieve indringer, die miljoenen euro’s kost aan beheersmaatregelen.

(Foto : Rasbak, GFDL)

paul_brusselen_web_200

Toevallig: Het Zuid-Afrikaanse bezemkruiskruid (Senecio inaequidens) werd op het einde van de 19de eeuw geïntroduceerd in België (regio Verviers) via de wolindustrie. De zaden van het bezemkruiskruid werden per ongeluk ingevoerd via de wol. Het bezemkruiskruid naturaliseerde zich langzaam in deze regio’s en begon zich daarna geleidelijk uit te breiden. Nu komt het algemeen voor langs spoorwegen, autostrades en braakliggende terreinen.

(Foto : P. Busselen)



Behalve de initiële introductie in een bepaald gebied, zijn er nog andere factoren verantwoordelijk voor de verspreiding van de invasieve soorten, met name het rechtstreekse gebruik van de soorten voor aanplant of inzaai, het vervoeren van grond die fragmenten van invasieve planten (zaden, stukjes wortelstok of wortel, etc.) bevat, het storten van groenafval, etc. Dat zijn secundaire verspreidingsvectoren, waarin de mens vaak een rol speelt. Die fenomenen komen bovenop de natuurlijke verspreiding van de soorten en dragen bij tot de verspreiding van de invasieve planten gedurende decennia of zelfs eeuwen na de oorspronkelijke introductie (zie verspreiding). Momenteel zijn de bestaande populaties van bepaalde invasieve soorten vooral het resultaat van secundaire verspreiding. Om het risico op introductie in de natuur te verkleinen, kunnen er preventieve maatregelen worden aanbevolen, zowel aangaande de secundaire verspreidingsvectoren als wat betreft de oorspronkelijke introducties (zie wat kunnen wij bijdragen).

 

Japanse duizendknoop en grondtransport als een secundaire verspreidingsvector

gembloux_g_frisson_web_200

Het transport van grond gecontamineerd met rizoomfragmenten van Japanse duizendknoop (Fallopia japonica) is een belangrijke secundaire verspreidingsvector. Rizomen (ondergrondse stengels) van Japanse duizendknoop regeneren zeer gemakkelijk nieuwe planten. Ze vormen een ondergronds netwerk dat zich over verscheidene meters rondom de plant kan uitspreiden. Nieuwe populaties ontstaan vaak wanneer grond, uitgegraven in de nabijheid van een populatie Japanse duizendknoop, wordt afgezet op een andere plaats (voor bv. ophogingswerken). De aanwezige rizomen in de grond zullen hergroeien en een nieuwe populatie vormen. Deze manier van verspreiding komt vaak voor in stedelijke gebieden en langs spoorwegen (Foto: G. Frisson).