AlterIAS logo
PDF Afdrukken

FAQ (frequently asked questions)

 In FAQ worden een aantal veelgestelde vragen in verband met de problematiek van invasieve planten gesteld. De antwoorden zijn niet volledig en kunnen nog uitgebreider behandeld worden. Sommige vragen zijn controversieel en meningen kunnen hierover sterk uiteenlopen. In de antwoorden wordt de zienswijze van wetenschappers betrokken bij de invasie biologie weergegeven. Deze rubriek kwam tot stand met de welwillende medewerking van Arnaud Monty (Unité Biodiversité & Paysage, ULg GxABT), Etienne Branquart (Cellules Espèces invasives, Département de l’Etude du Milieu Naturel et agricole) en Sonia Vanderhoeven (Belgisch Biodiversiteitsplatform).

1) Wat is een invasieve (of uitheemse woekerende) plant?

Invasieve planten worden door de wetenschap op basis van nauwkeurige criteria gedefinieerd. Invasieve planten zijn plantensoorten die (1) door de mens vrijwillig of toevallig worden geïntroduceerd buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied (het gaat om zogenaamde " exotische " soorten); (2) in staat zijn te overleven en zich voort te planten in de natuur; (3) een sterke verspreidingscapaciteit hebben en (4) die geneigd zijn dichte populaties te vormen waarbij de inheemse soorten worden verdrongen (notie van dominantie). Enkel de soorten die voldoen aan al deze voorwaarden mogen als invasief worden bestempeld. Op basis van deze definitie mogen we stellen dat slechts een klein aantal van de in België geïntroduceerde uitheemse planten invasief wordt. Van de duizenden in België ingevoerde uitheemse planten worden momenteel slechts een zestigtal als invasief beschouwd.

2) Wat is de invasie biologie?

Invasie biologie is een wetenschappelijke discipline die de invasieve soorten (zowel dieren als planten) bestudeert, alsook de processen die ertoe leiden dat deze soorten invasief worden. De invasie biologie omvat tal van kennisdomeinen (biologie, ecologie, evolutiebiologie, genetica, sociologie, economie, …), omwille van de gevarieerde aspecten die zij behandelt: bestuderen van de biologie van de soorten, beoordelen van de gevolgen, uitwerken van bestrijdingsmethodes, opsporen en evalueren van de risico’s, enz. Het is een vrij recente wetenschappelijke discipline, aangezien er pas in 1958 een specifiek werk hierover verscheen, The Ecology of invasions by Animals and Plant, van de Britse ecoloog Charles Elton (1900 – 1991). Maar het is pas vanaf de jaren 1990 dat de discipline echt tot ontwikkeling kwam. Verschillende internationale wetenschappelijke tijdschriften zijn momenteel gespecialiseerd in het publiceren van dergelijke onderzoeken. Ook in België gingen de onderzoeksprogramma’s van start in de jaren 90.

3) Door wie en op basis van welke criteria worden invasieve soorten opgenomen in de zwarte lijst of in de bewakingslijst ?

De soorten worden gerangschikt via het informatiesysteem Harmonia, uitgewerkt door het Belgisch Biodiversiteitsplatform. Het platform bestaat uit  een twintigtal experts van verschillende onderzoeksinstellingen en universiteiten in België. Elke soort wordt geëvalueerd op basis van hun invasieniveau en de impact die ze veroorzaken op inheemse soorten en op de werking van de ecosystemen. Meer informatie over de evaluatie van de soorten kunt u vinden in de toelichtende nota over het informatiesysteem Harmonia of op de website http://ias.biodiversity.be.

4) Wat is het verschil tussen een invasieve plant en een inheemse plant met invasief karakter?

Net zoals de invasieve uitheemse soorten, kunnen sommige inheemse soorten de vegetatie domineren en zeer dichte populaties ontwikkelen die andere soorten dreigen te verdringen. Ze worden dan ook vaak als ongewenst beschouwd, net zoals de invasieve uitheemse soorten. In onze streken is dit het geval met de adelaarsvaren (Pteridium aquilinum) of de braamstruik (Rubus fruticosus) in bossen, pijpenstrootje (Molinia caerulea) in heidegebieden, de gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum) of de sleedoorn (Prunus spinosa) in kalkhoudende grasvelden, duindoorn (Hippophae rhamnoides) in de duinen of de brandnetel (Urtica dioica) rond beken. Al deze soorten, of ze nu uitheems of inheems zijn, zorgen voor problemen in tal van milieus. De meeste van die soorten zijn zeer opportunistisch en kunnen  hun voordeel halen uit verstoringen, stagnatie of  verrijking met stikstof van het milieu. Soms worden ze trouwens eerder als een symptoom dan als een oorzaak van de aantasting van het milieu gezien. De gelijkenis van het probleem tussen de inheemse soorten en de invasieve exoten betekent echter niet dat de introductie van nieuwe invasieve uitheemse soorten weinig schadelijk is voor het milieu. Hun ontwikkeling is een extra probleem voor de terreinbeheerders. Het maakt het beheer van de natuurlijke milieus uitermate complex en draagt actief bij tot de aantasting ervan.

5) Waarom wordt een plant invasief buiten haar regio van herkomst?

Ook al heeft men nog geen duidelijk beeld van de mechanismen toch worden er verschillende theorieën naar voren geschoven. Een daarvan beweert dat sommige exotische planten invasief worden omdat ze in onze contreien werden geïntroduceerd zonder hun natuurlijke vijanden (plantenetende organismen en pathogene agentia,). Doordat deze afwezig zijn, groeien de planten sneller en worden ze ook groter, o.a. doordat ze meer energie kunnen besteden aan hun groei dan aan hun verdediging. Zo worden ze competitiever. Dit mechanisme vormt de basis van twee wetenschappelijke hypotheses nl. ERH en EICA (wat staat voor Enemy Release Hypothesis en Evolution of Increase Competitive Ability). Sommige invasieve soorten maken bovendien moleculen vrij in de bodem die de groei van andere plantensoorten belemmeren (hypothese van de allelopathische stoffen of Novel Weapon Hypothesis). Dergelijke voordelen leiden tot een excessieve ontwikkeling van deze soorten, waardoor ze hun dominante positie in het ecosysteem kunnen verwerven.

6) Is de verspreiding van invasieve planten geen symptoom van de aantasting van ons milieu eerder dan de oorzaak van deze aantasting?

Invasieve planten worden inderdaad vaak aangetroffen in verstoorde milieus bv.milieus die worden verstoord door eutrofiëring (verontreiniging door nitraten en fosfaten), grondverzet, kappen van beplanting, branden, erosie, enz. Deze verstoringen zijn vaak te wijten aan menselijke activiteiten. Braakliggende terreinen, ruïnes, vervuilde aanvoergrond, vervuilde waterlopen en een verontreinigde bodem vormen een gunstig milieu voor invasieve planten die, als pioniersplanten profiteren van deze verstoringen. Ze zijn goed aangepast aan dergelijke milieus en installeren zich daar sneller dan de inheemse soorten. Verstoorde sites zijn dan ook kwetsbaarder voor invasies. In sommige gevallen is het wel degelijk de mens die, door het milieu aan te tasten, ongewild invasies van planten in de hand werkt. Invasieve planten koloniseren echter niet uitsluitend verstoorde sites. Ze ontwikkelen zich ook in natuurlijke milieus met een grote ecologische waarde waar ze aanzienlijke schade kunnen aanrichten.

7) Kan de bestrijding van invasieve soorten niet vergeleken worden met een vorm van ecologisch racisme?

Zoals wordt benadrukt in vraag 1, veroorzaken de meeste geïntroduceerde uitheemse planten geen problemen en zijn ze ook niet-invasief. De meerderheid van de planten die worden geteeld op onze velden en in onze boomgaarden zijn afkomstig uit andere continenten en niemand haalt het in zijn hoofd om hun dagelijks nut te betwisten. Verre van te trachten alle niet inheemse soorten uit te roeien, is de bestrijding van invasieve organismen enkel gefocust op een aantal soorten, zoals de Japanse duizendknoop of de grote waternavel, die schade kunnen toebrengen doordat ze in staat zijn om dominante populaties te ontwikkelen in seminatuurlijke milieus. Er is dus zeker geen sprake van enige vorm van xenofobie.

8) Is de ontwikkeling van zogenaamde invasieve planten geen natuurlijk proces? Is het uiteindelijk niet normaal dat deze soorten zich ontwikkelen in onze contreien?

Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen de natuurlijke evolutie van soorten (m.a.w. zoals men dit ziet in de evolutiebiologie) en de verstoringen of veranderingen veroorzaakt door menselijke activiteiten. Het opduiken en de ontwikkeling van verschillende plantensoorten op aarde is een complex, vrij traag proces dat meetbaar is op een paleontologische tijdschaal. Dit fenomeen is gebaseerd op de natuurlijke selectie en de ‘survival of the fittest’, een theorie die werd ontwikkeld door Charles Darwin rond 1859. Deze theorie berust op natuurlijke factoren (zonder menselijke tussenkomst), die de soorten in staat stellen om zich aan te passen aan hun milieu en om samen te leven binnen eenzelfde ecosysteem, waarbij een zeker ecologisch evenwicht wordt bereikt tussen de populaties die aan zelfregulering doen door competitie, predatie, wederzijdse hulp of parasitisme.
Het probleem van de biologische invasies is iets helemaal anders. In dit geval heeft de mens soorten met elkaar in contact gebracht die elkaar nooit op natuurlijke wijze zouden hebben ontmoet. Hij heeft soorten geïntroduceerd buiten hun herkomstgebied, in ecosystemen die de hunne niet zijn, waarbij het fragiele evenwicht wordt verstoord. Dit alles binnen een kort tijdsbestek wat in contrast staat met de trage, natuurlijke evolutie van de soorten. Door deze snelle, abrupte en herhaalde introducties krijgen de inheemse soorten niet de tijd om zich aan te passen aan de invasie. Bovendien werden de invasieve soorten geïntroduceerd zonder hun natuurlijke vijanden (zie vraag 5). Dit is voor een deel de reden waarom zij zo zich zo snel verspreiden.

9) Zijn biologische invasies mogelijk zonder menselijke tussenkomst?

Er zijn inderdaad gevallen van intercontinentale migraties (verspreiding over een zeer grote afstand) van plantensoorten zonder dat de mens hier voor iets tussen zit. Deze migraties worden vaak in de hand gewerkt door grote klimatologische of geologische fenomenen (orkanen, smelten van gletsjers, continentendrift, enz.).
In vergelijking met deze natuurlijke migraties zijn de verplaatsingen van soorten veroorzaakt door de mens veel frequenter, gebeurt dit over veel grotere afstanden en gaat het om een grotere diversiteit aan organismen. Menselijke tussenkomst zorgt dus voor een zeer snelle vermenging van levende soorten over de ganse planeet en draagt bij tot de uniformisatie van de biodiversiteit op aarde.

10) Welke zijn de gevolgen van de klimaatopwarming op de verspreiding van invasieve planten?

Er wordt in België tegen 2050 een  temperatuurstijging van  1 à 3 graden verwacht. Dit scenario, dat door het merendeel van de experts als realistisch wordt beschouwd, kan de verspreiding van plantensoorten in ons land grondig wijzigen. In Laag- en Midden-België zullen beuken (Fagus sylvatica) en andere inheemse soorten die gevoelig zijn voor droogte aan vitaliteit inboeten. De verspreiding van sommige uitheemse soorten die reeds aanwezig zijn in ons land zal toenemen (zoals reeds werd aangetoond voor sommige soorten, zoals de vlinderstruik, laurierkers, gewone robinia, enz.). Voor andere soorten die nog niet in staat zijn om zich te installeren (Ambroisia, Pampasgras) zouden de omstandigheden wel eens gunstig kunnen worden voor hun ontwikkeling in ons land. Het probleem van de biologische invasies zal in de toekomst waarschijnlijk alleen maar groter worden.

11) Sommige exotische planten werden reeds meer dan een eeuw geleden bij ons geïntroduceerd zonder ooit milieuschade te berokkenen.  Kunnen zij op een dag invasief worden?

Dit is moeilijk te voorspellen. Sommige exotische planten beginnen zich meer dan een eeuw na introductie in onze tuinen en parken te verspreiden . Dit is o.a. het geval met de gewone robinia, waarvan men sinds kort een toenemend aantal zaadkiemen observeert in onze seminatuurlijke milieus. Een plant wordt niet van de ene op de andere dag invasief, eerst doorloopt ze een aanpassingsperiode of latentieperiode. Deze periode varieert al naar gelang de soort en de milieuomstandigheden. Ze kan een aantal decennia duren of soms langer dan een eeuw (voor houtgewassen werd een gemiddelde duur van 147 jaar berekend). Dit fenomeen is zo goed als onvoorspelbaar en niemand kan vandaag met zekerheid zeggen welke exotische soort in de toekomst invasief zal worden.

12) Zijn  cultivars van een invasieve soor teveneens invasief?

Een cultivar is een veredelde vorm van een plant, door selectie van een (of meerdere) kenmerken die als interessant worden beschouwd vanuit esthetisch oogpunt (kleur van de bloemen, vorm van de bladeren, enz.) of vanuit technisch oogpunt (groeisnelheid, resistentie tegen ziektes, enz.).Zo worden tal van  nieuwe cultivars veredeld. In veel gevallen wordt het invasieve karakter van een cultivar versterkt of is dit gelijkaardig aan dat van de invasieve soort waarvan ze werd afgeleid. Studies tonen inderdaad aan dat kenmerken zoals resistentie tegen ziekten of pathogenen, hardheid (kouderesistentie), een groot aantal bloemen, een makkelijke vermeerdering, snelle kiemvorming of grootte, zeer gegeerde eigenschappen zijn waardoor ook  gedeeltelijk het invasie potentieel vergroot. Ook puur esthetische kenmerken zijn zeer in trek, zoals de kleur en de vorm van de bloemen, bladeren of stengels. Deze kenmerken tasten het reproductievermogen niet aan en ook het invasieve karakter verandert a priori niet. Sommige cultivars kunnen echter minder invasief zijn, zoals bijvoorbeeld de dwergcultivars, de laatbloeiende cultivars, de steriele of minder fertiele cultivars. Het al dan niet  invasieve karakter van cultivars is een complex onderwerp en wordt momenteel nog nader onderzocht.

13) Het is vreemd dat aardpeer (Helianthus tuberosus) opgenomen is in de zwarte lijst. Het gaat om een oude groentesoort die vroeger zeer gewaardeerd werd en die thans opnieuw” in de mode” is. Waarom is deze invasief?

Topinamboer is afkomstig uit Noord-Amerika. Ze werd/wordt omwille van de eetbare knollen gebruikt als voedselplant. Na de tweede wereldoorlog werd de plant niet vaak  meer geteeld door de landbouwers. Maar de soort groeide voort in het wild en verspreide zich verder, onder meer dank zij de koudebestendige knollen waardoor de plant gemakkelijk weer uitloopt in de lente. Er werden grote populaties waargenomen in Centraal-Europa. Aardpeer komt o.a. in  Frankrijk, Oostenrijk, Duitsland, Slowakije en Polen voor op de lijst van invasieve planten. De plant heeft een voorkeur voor de oevers van waterlopen. Hij kan dichte populaties vormen vergelijkbaar met die van Japanse duizendknoop die de groei van de inheemse flora beletten. In België vinden we een grote populatie langs de oevers van de Maas waar de rivier niet bevaarbaar is, dicht bij de Nederlandse grens. Aardpeer kent verschillende cultivars of variëteiten die ofwel omwille van hun sierwaarde of als groente of agrobrandstof worden gebruikt. Momenteel heerst er onzekerheid over de  exacte identificatie van de invasieve aardpeer in natuurlijke milieus. Verder onderzoek is hier zeker aan de orde.

14) Sinds jaren staat er Buddleja in mijn tuin. Deze plant breidt zich echter niet uit. Bovendien is het een mooie struik die vlinders aantrekt. Waarom is deze soort problematisch?

Buddleja staat momenteel op de bewakingslijst; wat wijst op een geringe milieu-impact. De vlinderstruik is invasief in droge milieus, zoals braaklanden, steengroeven, spoorwegbermen, wegbermen, verlaten terreinen. De plant is voornamelijk invasief  in stedelijke gebieden, resistent voor bodem- en luchtvervuiling. Zolang de omgeving niet gunstig is voor zijn expansie, zal de vlinderstruik zich in een tuin niet uitbreiden. Maar Buddleja ontsnapt gemakkelijk uit tuinen. Eén enkel exemplaar kan tot 3 miljoen zaden produceren die worden verspreid door de wind (95 % van de zaadjes vallen neer op een afstand van meer dan 10 meter van de ouderplant). Hij kan zeer dichte populaties vormen in de bovenvermelde milieus waardoor er weinig plaats is voor de ontwikkeling van andere plantensoorten.

15) Op de bewakingslijst staan een aantal soorten waarvan ik nog woekerend gedrag heb waargenomen in de natuur. Hoe kan men beweren dat ze invasief zijn indien er geen spectaculaire invasies worden waargenomen?

Sommige soorten staan nog maar aan het begin van hun invasieproces in België. Ze vormen geen (of nog geen) grote populaties in de vrije natuur. Maar hun invasief karakter werd reeds bewezen in het buitenland, in gelijkaardige milieu- en klimaatsomstandigheden als in België. Het is mogelijk dat deze soorten zich momenteel in hun latentieperiode bevinden (zie vraag 11) en zich op een dag exponentieel beginnen te ontwikkelen. De bewakingslijst omvat per definitie  de plantensoorten die moeten bewaakt worden omdat  ze de potentie hebben om toekomstig invasief gedrag te vertonen, ook in natuurlijke milieus en zo een grotere impact te krijgen op de biodiversiteit. Andere soorten uit deze lijst zijn invasief  in welbepaalde milieus zoals bijvoorbeeld de heide, droge en rotsachtige milieus of duinen. Dergelijke milieus vindt men niet overal in België en het zijn vooral natuurliefhebbers die weten waar er invasies terug te vinden zijn.

16) Waarom komt bamboe niet voor op de lijst van invasieve planten?

Er bestaan tal van soorten sierbamboe; er zijn drie grote groepen: de Phyllostachys groep (de grootste), de Fargesia groep en de Sasa groep. De meeste zijn afkomstig uit Azië. Het zijn rhizomateuze soorten die invasief kunnen zijn in tuinen. Tot nog toe vindt men ze echter weinig terug in de natuur, ook al zijn er aanwijzingen die erop wijzen dat ze zich meer en meer beginnen te vestigen in natuurlijke milieus. Momenteel zijn ze niet opgenomen in de lijst van invasieve planten. Maar dit zou in de toekomst wel eens kunnen veranderen wanneer de soort zich verder zou gaan verspreiden. Wanneer dit het geval is, zal bamboe wetenschappelijk dienen geëvalueerd te worden om het milieurisico ervan te bepalen.

17) Sommige waterplanten geven zuurstof af en worden gebruikt bij de aanleg van waterpartijen. Ze stimuleren het waterleven en zorgen voor een betere kwaliteit van het water. Waarom zijn zij schadelijk?

 Sommige waterplanten die als invasief worden beschouwd worden inderdaad gebruikt als zuurstofleveranciers in waterpartijen. Het gaat bijvoorbeeld om Elodea canadensis, E. nutalii of Egeria densa. Deze rol als zuurstofleverancier is nuttig zolang de plant zich niet op een excessieve manier ontwikkelt. De ontwikkeling ervan hangt af van verschillende parameters: helderheid, fysisch-chemische kwaliteit van het water enz. Wanneer een waterplant begint te woekeren, verstikt zij geleidelijk aan het milieu. Door de vorming van tapijten op het water dringt er minder licht binnen en wordt de watercirculatie afgeremd. Organische materie zal accumuleren en trager ontbinden door de werking van bacteriën die de zuurstof in het water gebruiken; wat ertoe leidt dat het milieu verder verstikt en, in het slechtste geval, dat het waterleven afsterft.

18) Heel wat soorten uit de lijst worden gebruikt in steden voor het aanleggen van parken en groene ruimtes. Bestaat er een reëel risico dat planten vanuit  stedelijke milieus binnendringen in natuurlijke milieus? De risico’s op verspreiding in de natuur lijken nochtans zeer klein …

Hoe meer een invasieve soort wordt aangeplant in het landschap, hoe groter de kans dat ze op een dag ‘ontsnapt’en zich vestigt in een natuurlijk milieu dat gunstig is voor haar verdere expansie. Veelvuldige en herhaalde introducties van invasieve planten (bv. door vrijwillige aanplant) is één van de principes achter het  succesverhaal van invasieve sierplanten. In tegenstelling tot de gangbare opvatting, kunnen  ook  soorten aangeplant in stedelijke gebieden, ontsnappen en binnendringen in de natuur. Planten zijn geen statische organismen; zij groeien en planten zich voort. De zaden worden verspreid door de wind, voertuigen en waterlopen. Vogels eten de vruchten en verspreiden de zaden over verre afstand. Steden zijn geen afgeschermde cocons die volledig afgesloten zijn van het natuurlijke milieu. Lineaire elementen zoals waterlopen, auto-, en spoorwegen zijn  ideale verspreidingsvectoren. Groene ruimtes, tuinen, bosrijke zones in steden vormen een wezenlijk onderdeel van een ecologisch netwerk dat deze lineaire elementen verbindt met de natuurlijke milieus die gelegen zijn buiten de steden.

19) Wat zegt de Belgische wetgeving in verband met de handel in invasieve sierplanten? Moet er op deze soorten geen handelsverbod komen?

Momenteel bestaat er in België geen enkele wetgeving die de handel in invasieve planten aan banden legt. Iedereen is vrij om te verhandelen wat hij wil. Daarom zouden er instrumenten dienen uitgewerkt te worden om de introductie van soorten die als schadelijk worden beschouwd te voorkomen. Dit kan aangepakt worden via wetgeving  of een Gedragscode; beide benaderingen kunnen complementair ingezet worden. Een Gedragscode is gebaseerd op bewustmaking en het aanspreken van het verantwoordelijkheidgevoel van  zowel beroepsmensen uit de sector (producenten, verkopers) als van consumenten. De voordelen van een Gedragscode zijn dat het een flexibele oplossing is en dat het toepasbaar is voor een breed publiek, ook voor particulieren. Op dergelijke manier kan geleidelijke gewerkt worden aan een mentaliteitswijziging i.v.m. het gebruik van invasieve planten.

20) Wat is een Gedragscode voor invasieve planten?

Een Gedragscode is een document waarin maatregelen worden voorgesteld om de verspreiding en de introductie van invasieve planten in parken, tuinen en langs bermen (wegbermen, bermen van waterlopen en spoorwegbermen), corridors voor invasies naar  natuurlijke milieus, te beperken. Het is een vrijwillig hulpmiddel gebaseerd op zelfregulering (in tegenstelling tot de wetgeving, die verplicht moet worden toegepast). Iedereen is vrij om zich in te schrijven. De Gedragscode richt zich op de professionele groenvoorziener en particulieren/tuinliefhebbers die bereid zijn een inspanning te leveren voor het milieu. Iedereen kan zich engageren in de GedragsCode, die beschikbaar is op deze website (rubriek Gedragscode).

end faq